Niet het mijne, maar dat van Franquin, Jijé, Morris en Will. Een mooie tentoonstelling in het Belgisch Stripmuseum. Met verbazing kijk ik de laatste tijd naar de vele strips die verschijnen, getekend in krabbelstijl. De voornaamste stijlelementen zijn gebrek aan tekentalent, onkunde en amateurisme. En precies deze kenmerken zijn de ingrediënten van het stijltje dat nu in de mode is. Zelfs bekwame tekenaars verlagen er zich toe iets op papier te krabbelen dat er prutserig genoeg uitziet om aan de waan van de dag te beantwoorden. De albums worden meestal uitgebracht onder een cover die er saai en intellectueel uitziet. Want we willen voor vol aanzien worden. Er is nauwelijks nog verschil met covers van boeken. Laat het zeker niet op een echte strip lijken. Waarom zeg ik dit, beste liefhebber die wellicht reeds op zijn tenen getrapt is? Om weer uit te komen bij Het Atelier van Franquin, Jijé, Morris en Will. Wie waren dat, zult u vragen. Om te beginnen mensen die écht konden tekenen. Jijé was de oudste van de club en na de oorlog nam hij de drie jonge snaken die Franquin, Morris en vooral Will nog waren, in huis. In het huis in Waterloo liep ook nog een bende kinderen rond. Annie Gillain, mevrouw Jijé, deed de was en de plas. Joseph Gillain, alias Jijé had Morris en Franquin aangeprezen bij Charles Dupuis. Hij vond dat zulke talenten ook goed betaald moesten worden en hij bedong bij de uitgever 1.200 frank per pagina voor de jonge tekenaars. In de trein op weg naar huis realiseerde Jijé zich dat hij zelf maar 900 frank kreeg.
Jijé en André Franquin gekarikaturiseerd door Jijé. Het atelier van Franquin, Jijé, Morris en Will, was de slaapkamer van meneer en madame Jijé. Overdag werd die omgetoverd in een tekenatelier, waar ongetwijfeld de hele tijd een dikke rokersmist hing. Want de heren waren kettingrokers. Will was nog een tiener, het kakkernestje. Hij kwam in de leer bij Jijé. Zijn eerste opdracht was een oefening in constructie en perspectief. Jijé plaatste hem bovenaan de trap met als opdracht de traphal te tekenen in vogelperspectief. Want je moest en zou in die tijd het vak leren. Heden ten dage lossen sommige tekenaars — zelfs goeie — een perspectiefprobleem op met de hulp van 3D-software! Eerlijk gezegd: als je het zelf kan (kunst komt van kunnen), dan doe je het tien keer sneller dan met je computer. En niet te verwaarlozen: het is authentiek, iets wat computersoftware je nooit kan bieden.
Morris en Will gekarikaturiseerd door Jijé. Terwijl Will bovenaan de trap de rudimenten van de tekenkunst zat te leren, mochten Franquin en Morris hun eerste schreden zetten in de wereld van het stripverhaal. Dat ze dit niet zonder talent deden, weten we. Maar van Jijé viel altijd nog wat op te steken. Die kon namelijk alles: tekenen, schilderen, boetseren met klei, beeldhouwen in steen, etsen, graveren, steendrukken, glasschilderingen maken, smeedwerk vervaardigen,... Er waren weinig disciplines die Joseph Gillain niet in de vingers had. De jonge tekenaars vervolmaakten hun opleiding —voor zover nodig — door met Jijé een paar keer in de week naar naaktmodel te gaan tekenen. Want uiteraard, evident, vanzelfsprekend, hoe kan het anders, om te kunnen tekenen moest je in die tijd ook nog de nodige kennis van anatomie opdoen. Weten waar de spieren zitten, ze kunnen benoemen en weten waarvoor ze dienen. Hoe ze een lichaam laten bewegen. Je moest het geraamte kennen in al zijn onderdelen. Constructief leren tekenen. Daar lachen de krabbelaars van nu zich ziek mee! Waarvoor is al die onzin nodig? Vakkennis, pfoe! Er is geen enkel probleem dat het overtrekken van een foto in Photoshop of Illustrator niet kan oplossen. Waarom zou je je moe maken? (Voor de eer, tiens. Om het te kunnen zoals het hoort.) Laatst was er een iemand in De Canvas-collectie, die beweerde dat het in kunst niet om kunnen gaat. Dat is maar minabel, iets kunnen. Nee, het gaat om het IDEE! Heb een idee en je maakt al kunst. Dat beweren kunstgoeroes en museumdirecteuren al ruim veertig jaar. Een hoopje anthraciet op een parketvloer. Een theezakje aan een nageltje (echt gezien in het Muhka). Ik vraag u: waar is het idee in het driehonderdste portret van Rembrandt? Nochtans is het grote kunst. Rik Wouters met ooglap in een wit hemd tegen een rode achtergrond. Rik met de hoed. De Strijkster. Rik Wouters was de favoriete schilder van Franquin. En ook de mijne.
De Strijkster uit 1912 van de Vlaamse schilder Rik Wouters, te bezichtigen in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen Het soort bedriegerij, armoede eigenlijk, van vandaag was niet aan de orde in de tijd van Jijé, Franquin, Morris en Will. We weten wat er van de heren geworden is. Al kom ik wel eens een jonge snaak tegen die zich afvraagt wat er nu zo speciaal zou zijn aan die Franquin. En dan vraag ik van welke planeet hij komt." © Stripspeciaalzaak |
De invloed van het stripverhaal is overal, zelfs in de keuken. In mijn vorig rubriekje heb ik de euvele moed gehad om een mening te herkauwen die in Frankrijk onder mensen van het vak al langer opgeld maakt, namelijk: er verschijnen te veel strips. De analyse is niet moeilijk. Produceer te veel onverkoopbare producten en de markt raakt verstopt. Verstopping volgt op diarree. Vroeger werd over zulke meningen in welles-nietesstijl gekeuveld tussen pot en pint aan de toog. En je wist met wie je stond te praten. Je gaf zelfs een rondje. Nu gebeurt alles op internetfora, anoniem. Dat is zoveel dapperder. De emmers bagger stonden klaar. Enkelen — waaronder zelfs een collega — vonden dat ik zelf te veel produceer. Maar overproductie slaat op dingen die onverkoopbaar zijn. Dat is bij mij niet aan de orde, gelukkig. Misschien denkt die collega, dat hij plots zelf meer zal gaan verkopen als ik minder titels uitbreng. Maar de markt werkt niet zoals communicerende vaten. Ik moet hem teleurstellen. Een ander wist dat ik dit eigenlijk allemaal wereldkundig maak om aandacht te vragen voor mijn eigen miezerige persoontje. Een schreeuw om aandacht! Na zestig jaar zonder... Je moet een genie zijn om zo’n argument te bedenken. Grow up. Er waren nog een paar emmers bagger over op internet toen Merho besloot zijn reeksnaam te wijzigen. Een moedige beslissing die volledig logisch is. De media-aandacht die eruit volgde, is zonder weerga. Meestal neem je zo'n beslissing uit wanhoop, wanneer je reeks in een sukkelstraatje zit. Daar zijn een paar voorbeelden van. Maar dat is niet het geval bij Merho, die nog steeds aan de top staat. Hij kiest voor de nieuwe naam uit pure overtuiging. Zijn reeks neemt hiermee een frisse doorstart en het publiek zal hem hierin zonder probleem en met vernieuwde interesse volgen. Enkele reacties op het internet daarentegen grensden aan het hysterische. Maar Merho gaat door, in rustige vastheid, of hoe heet dat op zijn Van Rompuys. Tot vervelens toe heeft de vader van De Kiekeboes moeten uitleggen dat het helemààl niet zijn bedoeling was hiermee de “Nederlandse markt” te veroveren. Welke markt? Ze is onbestaande. Maar de “kenners” wisten in eerste instantie beter. Die Nederlandse markt is de afgelopen deccenia verdampt en dat is doodjammer. In de eerste plaats voor de Nederlandse stripproductie. Wat daar nog van overblijft, is in niets te vergelijken met de stripproductie in de jaren 1970. Toen was er nog volop hoop voor Nederland. Merho en ik hadden in die tijd al een twintigtal titels op de markt. Het ging vlug met die albums, niet omdat we zo’n veelvraten waren, maar omdat we nu eenmaal voor een krant tekenden. En dan maak je zonder onderbreking drie pagina’s per week. Het was de gouden tijd van de krantenstrip. In België liep alles goed voor onze albums, maar Nederland bleef een probleem, vooral op vlak van distributie. Dus trokken Rob en ik onze stoute schoenen aan. We gingen in Haarlem praten met een bevriende uitgever om over een mogelijke joint venture. De ontmoeting haalde niets uit. Later zouden we nog pogingen ondernemen in het bijzijn van onze Belgische uitgever. Proberen distributeurs te overtuigen om toch meer te doen voor onze albums op de Nederlandse markt. Maar die distributeurs begrepen het product niet. Strips werden en worden in Nederland beschouwd als “tijdschrift” en dus snel weer uit de rekken genomen. Boekhandels willen niet weten van strips, of nog erger: ze willen “dat publiek” niet over de vloer. “Dat publiek” neemt namelijk al eens een boekje uit de rekken en gaat op de grond zitten lezen. Hetzelfde argument wordt door de warenhuizen gebruikt. Ooit liep ik in Breda een Vroom&Dreesman binnen. Even kijken of je daar strips kon kopen. Ja hoor. Er was een stripstandje. Zelfs albums van Bakelandt. Afgescheurde covers, op karton gekleefd. Daar kon je je keuze uit maken. Het échte album moest je aan de kassa gaan vragen. “Anders lezen de mensen het, meneer”. Daarom. In München belandde ik ooit in een grote boekhandel. Vijf, zes etages. Een tussenverdiep tussen elke etage. Daar stonden wat banken. Overal zag je mensen zitten die Belgische en Franse strips lazen. Wellicht ook Nederlandse. In deze boekhandel werden dus strips te koop aangeboden! Ik vond een stand... met stukgelezen exemplaren. Als je er een wilde kopen, moest je een gaaf exemplaar aan de kassa vragen. Met Nederland en Duitsland wordt het dus nooit wat op stripgebied. Merho en ik stonden weer op het perron van het station in Haarlem, na het teleurstellende contact met die uitgever. We hadden nog wat tijd, dus gingen we een stukje eten in de stationsrestauratie. Merho en eten, dat gaat altijd. We zaten vrijwel alleen in de zaal. Een Hollandse menukaart, dachten we, laten we voorzichtig zijn. We kozen voor een cordon bleu. Maar op de menukaart stond: “Gordon bleu”. We meldden dat met een grapje aan de dienster. Foutje. Het is niet “Gordon” maar cordon. Van cordon bleu. Blauwe wimpel. Wij komen uit België. We kennen een beetje Frans. Cordon bleu. Flash Gordon, dat wel. Maar niet Gordon bleu. De dienster is op haar tenen getrapt. “Nou, dat heeft u helemaal verkeerd, hoor! Ik ga het meteen vragen aan de Chef!” Ze beent weg naar de keuken. Even later is ze terug. "U heeft het helemaal verkeerd, zegt de Chef! En die heeft ervoor gestudeerd!” We hebben snel en zwijgend onze Gordon bleu opgegeten en hebben ons dan naar de trein gerept, richting België. Je weet maar nooit. Als de kok Mongo heet, valt hij je misschien vanuit de keuken schuimbekkend aan met een groot hakmes.
Twee maal een echte Gordon: links topchef en brulboei Gordon Ramsay, rechts zanger Gordon, door de Nederlanders onlangs verkozen tot meest irritante Nederlandse artiest. Later gingen we wijselijk met de wagen. Na onze afspraak met de distributeur — het zou weer niets uithalen — scheurden we terug naar België. Iets eten in het eerste restaurant over de grens." PS: Wat leert ons vandaag het internet? De Gordon bleu is nog steeds waanzinnig populair in Nederland! © Stripspeciaalzaak |
Vroeger was alles klaar en duidelijk. En simpel. Toen ik als tiener opgroeide en me bewust werd van het enorme potentieel van het stripverhaal, in de verre jaren zestig van de vorige eeuw, verschenen er honderdvijftig nieuwe titels per jaar. Er waren vijf of zes uitgeverijen. Honderd auteurs. Twee of drie leuke stripweekbladen. Je kon volgen, het was overzichtelijk. Hetzelfde gold trouwens ook voor de televisie. De uitzendingen begonnen niet voor 18.00 uur. Om 23.00 uur werd de zender afgesloten en ging iedereen naar bed. Je had maar zes of zeven zenders. Twee Belgische en nog wat buitenlandse stations, uit Nederland of Frankrijk. Het programma-aanbod was duidelijk: Nonkel Bob voor de kinderen, een nieuwsuitzending, een film, een spelprogramma. En alles in zwart-wit.
Nu is er een zodanige diarree in het televisieaanbod, dat de lust je vergaat om nog ooit voor het kleine scherm te gaan zitten. Dat trouwens niet meer zo klein is. Het moet muurgroot zijn, met surround sound en binnenkort ook in 3D, waar je hoofdpijn van krijgt. En het moet snel, snel, snel gaan... 'Vertelritme' betekent tachtig beeldwisselingen per seconde. Drie ontploffingen per minuut. De simpelste reportage wordt tegenwoordig opgeluisterd met klankeffecten die zo uit The Matrix zijn weggelopen. Verspringende beelden, wiebelende camera's van vermoedelijk dronken cameramensen, niets staat ooit nog stil. Mag niet. Verboten, ja! Spelprogramma's worden onderstreept met 'spannende geluiden' van zware, dichtslaande metalen deuren waarvan de nagalm door duistere gangen jaagt... Een diarree van beelden, effecten, clichés. Want iedereen kopieert iedereen in deze. Eenzelfde gevoel heb ik bij het hedendaagse beeldverhaal. Een waanzinnig overaanbod, waarin een kat haar jongen niet meer vindt. Meer dan 250 uitgeverijen. Meer dan 4.500 nieuwe titels per jaar.* Een stroom aan manga's. En steeds meer van hetzelfde. Men kopieert succesreeksen à volonté. Largo Winch heeft intussen honderden kloontjes. En altijd wordt de spoeling dunner. Voor de vijftigste kopie vind je al geen tekenaar meer die kan tekenen, en geen scenarist die een leesbaar verhaal in elkaar kan puzzelen. Maar ze worden wel uitgegeven. Natuurlijk wordt het geen success. Niet erg. Na deel 2 verdwijnt de 'serie' en gaat Uitgever nr. 127 in zee met scenarist nr. 4.021 en Tekenaar nr. 3.254, die hun geluk wagen met alweer een nieuwe kloon. En floppen. Waar zal dit eindigen? Sommigen vinden dit een uitbarsting van creativiteit. Van verscheidenheid. Het zal wel. Maar de stripmarkt versnippert in steeds kleinere niches. De verkochte oplagen dalen dramatisch, voor iedereen. Hele fondsen verdwijnen van de markt, want in de winkels moet plaats gemaakt worden voor de eindeloze stroom 'nieuwigheden'. Lang niet alles bereikt de winkels. Dat kan ook niet. Er verschijnen zo'n veertien nieuwigheden PER DAG. Het is onmogelijk om die allemaal op een serieuze manier onder de aandacht van het publiek te brengen. Aan die stripdiarree op papier wordt binnenkort nog het digitale stripaanbod toegevoegd. Ik weet niet of dat nodig en goed is... Ik heb er mijn twijfels over. Waar is in godsnaam de PAUZEKNOP?"
© Stripspeciaalzaak |
38 jaar geleden had ik mijn legerdienst achter de rug. Legerdienst, dienstplicht (voor de jongeren onder u die dit nooit gekend hebben) betekende dat je een jaar of anderhalf onder de wapens moest, afhankelijk van de plek waar je je dienst deed. Ik ging naar Duitsland in Lüdenscheid, waar ik op de culture dienst de opvolger werd van Merho. Ik nam ook zijn strip Jager Jansens over. Maar dat verhaal is genoegzaam bekend. Merho zou later met groot succes een stripfiguur creëeren: Kiekeboe. Hij is ermee nog steeds de onbetwiste nummer één op de stripmarkt. Ik was 22. Mijn debuut in Het Volk, samen met mijn vriend Sylvain Polfliet, had ik al een tijdje achter de rug. Voor mij was Brian Howell afgelopen, Sylvain zou er nog lange tijd mee doorgaan. Maar ik moest iets gaan doen. Liefst een strip maken... Daniël Jansens, met wie ik later Bakelandt op papier zou zetten, had mij een voorstel gedaan: een strip over een bende hippies voor het weekblad Pilote. Dat zou nu ook in een Belgische editie gaan verschijnen en daarom was er plaats voor meer Belgische tekenaars en scenaristen. Onder meer Ferry, Yvan Delporte en Eddy Ryssack zouden aan die Belgische pagina’s meewerken. Ons project werd nooit gepubliceerd, maar ik moet er toen toch bijna dertig pagina’s voor getekend hebben op scenario van Daniël die toen ook Kramikske schreef voor Jean-Pol, Lombok voor Berck en honderden Bessy-verhalen voor Willy Vandersteen. Daniël Jansens was een pionier, de eerste echte professionele stripscenarist in Vlaanderen. Ik heb veel van hem geleerd op het vlak van scenariotechniek. De meeste pagina’s van die strip zijn verdwenen; ik heb er nog slechts enkele bewaard. Maar het ging dus niet door. Daarom trok ik naar Nederland, naar de beroemde Toonder Studio’s. Nederland was toen nog een land waar een gezonde stripindustrie bestond. De Toonder Studio’s hadden hun intrek genomen in het gigantische kasteel van Nederhorst ten Berg. Er werden zo’n kleine veertig dagbladstrips geproduceerd die verschenen in de bijna honderd kranten die Nederland rijk was. Die strips verschenen ook in Scandinavië, België, Groot-Brittannië, Duitsland en wellicht zelfs hier en daar in Franse kranten.
Uiteraard werkten de studio’s ook voor de reclamewereld en werden er ook animatiefilms gemaakt. Het merkwaardige was dat ik er als 22-jarige nobele onbekende meteen ontvangen werd door de zaakvoerder, die een serieus gesprek met me had. Uiteraard had ik tekeningen mee en blijkbaar vielen die in de smaak. Ik ging zelfs naar huis met een voorstel voor een nieuwe strip: ze wilden de eerste milieustrip maken. Via een strip mensen bewust maken van de noodzaak om goed om te springen met het natuurlijke milieu. De strip zou dagelijks in diverse kranten verschijnen. Het concept was nog erg naïef, over kikkers en beekjes. Van global warming was nog geen sprake. Uiteraard was ik niet rijp voor een dergelijke opdracht. Ik kon het tekenwerk wel aan, maar voor het scenario had ik — dat ware verstandiger geweest — beroep moeten doen op een ervaren scenarist. En waarom ik daar toen mijn vriend Daniël niet over heb aangesproken, weet ik niet meer. Ik heb een unieke kans gemist. Op dat moment betekende de strip nog iets in Nederland. Gelukkig kwam het nog wel goed: niet lang daarna kon ik met Bakelandt beginnen voor Het Laatste Nieuws en met Circus Maximus voor Eppo. Ik werd ineens geacht meer dan twintig pagina’s per maand te tekenen. Mijn eerste stresservaringen, maar dat is een ander verhaal. Een tijd geleden ging ik voor het eerst in vijftien jaar nog eens signeren op een stripbeurs in Breda. En dan merk je toch dat de tijden veranderd zijn in Nederland. Het publiek bestaat vooral uit nostalgische oudere heren. Zelfs de nieuwe Eppo wordt ontworpen met die doelgroep in het achterhoofd. Veel jeugd heb ik niet gezien in Breda. Nochtans ben en blijf ik ervan overtuigd dat er ook bij de Nederlandse jeugd potentieel moet zitten. Op voorwaarde dat je natuurlijk strips maakt voor kinderen tussen de acht en vijftien jaar. Maar veel Nederlandse stripauteurs maken hun strips helaas in de eerste plaats voor zichzelf en een kleine groep gelijkgestemden. Uiteraard bereik je dan de kinderen en het brede publiek niet meer. Je ziet het ook meer en meer op de Franse markt. Met eindeloze nichevorming tot gevolg, versnippering. Ik vrees dat het een onomkeerbaar proces is." © Stripspeciaalzaak |
Wat doe ik zoal dezer dagen? Ik had met Marc Sleen een discussie over de oneindigheid — of eindigheid — van het universum. Te ingewikkeld om het in het bestek van een telefoongesprek uit te leggen. Ik moet dus dringend eens met hem afspreken om dieper op het onderwerp in te gaan. Kosmologie interesseert mij, een interesse die ik mocht delen met de betreurde Jef Nys. We hebben er wel eens een boompje over opgezet. Verder mijmer ik nog steeds over wat het nu betekent: veertig jaar carrière in de stripwereld. Heeft het enig gewicht? Hoe meet je dat? De tentoonstelling in Brussel was natuurlijk een hoogtepunt, maar daarna? Ik denk niet dat iemand er wakker van ligt en dat hoeft ook niet. Mijn "carrière" ligt opgestapeld in een grote archiefkast.
Goede en minder goede tekeningen. Pareltjes en rotzooi. Minutieus monnikenwerk en haastklussen. Ik heb het allemaal bijgehouden. Misschien schenk ik het ooit aan het Belgisch Stripcentrum. Voorlopig blijft het nog in de kast liggen. Een kast die we overigens in het nieuwe atelier nog gaan uitbreiden, minstens verdubbelen in omvang, voor de toekomstige stripproductie. Het is nog niet afgelopen. Het beste moet nog komen. Een leuk aspect van een lange carrière zijn de ontmoetingen met je lezers. De Boekenbeurs is elk jaar een feest. Ik ga er met plezier naartoe. Signeren op de Boekenbeurs is een vermoeiende bezigheid, maar je gaat met een tevreden gevoel naar huis. Een striptekenaar hoeft op de beurs nooit met de vingers te zitten draaien. Stripbeurzen mijd ik de laatste jaren. Je ziet er steeds dezelfde mensen en er hangt meestal een wat triestige, zielige, onaangename sfeer. Ik kan me voorstellen dat een stripfestival in de Provence, op een zonnig pleintje wel wat meer te bieden heeft. Maar de laatste vijftien jaar heb ik geen titels meer in het Frans en word ik daar ook niet meer gevraagd. Vroeger wel. Ik herinner me een feestelijk stripfestival in Eauze in de Gers, georganiseerd door Serge Ernst. De dappere Serge Ernst, die dertig jaar geleden zijn Waalse heimat verlaten heeft en sindsdien een bucolisch bestaan heeft opgebouwd tussen Toulouse en de Pyrenneën. Het festival eindigde met een feestelijke maaltijd op het marktplein. Voor we aan tafel zouden gaan, zou Yvan Delporte alle Belgische striptekenaars op het podium roepen voor een loflied dat hij geschreven had ter ere van Eauze. En zo gebeurde. Ik stond tussen Tibet en Walthéry. Net toen de eerste strofe werd ingezet, stak er een verschrikkelijke wind op. De tentjes op het marktplein dreigden weg te waaien. De technici schakelden de stroom uit. Plots viel er een zware plensbui uit de hemel. Iedereen vluchtte weg. Walthéry baande zich een weg naar de tent met drank, roepend: "Sauvons le vin!" In een mum van tijd werd de lucht doorkliefd met de indrukwekkendste bliksems die ik ooit heb gezien. Zwaar gedonder rommelde boven onze hoofden. Mijn vrouw en ik besloten met de auto weg te vluchten naar de villa, waar we onderdak hadden gekregen. Het feest was immers afgelopen. Het onweer hield de hele nacht aan. Ze hebben wel iets, die stripfestivals in Frankrijk. Ooit werd ik uitgenodigd om te signeren in Lausanne. Samen met twee andere tekenaars waarvan ik me de naam niet meer herinner en waarvan ik me inmiddels afvraag wat ervan geworden is, vloog ik naar Genève. Leuke ontvangst, mooi hotel, interview voor de radio in Lausanne, lekker eten,... De Franstalige Zwitsers praten dan wel traag, maar het zijn goede gastheren en -vrouwen. De signeersessie zelf ging door op een zonnige namiddag in een grootwarenhuis in Lausanne. We werden aan nette tafeltjes geïnstalleerd en er lagen dikke stapels van onze albums te wachten. Bovendien was er een presentator met een niet te stuiten enthousiasme. Hij moest het publiek naar onze tafels lokken, microfoon in de aanslag. De deuren van de afdeling stonden open en gaven uit op de zonnige winkelstraat, waar massa’s mensen passeerden. Er was één minpuntje: de boekhandel van het warenhuis lag op de vierde verdieping. Waarom zaten wij dan op het gelijkvloers? Dat kwam omdat op het gelijkvloers de afdeling dameslingerie vernieuwd was. En ter ere daarvan hadden ze twee Belgische en een Franse tekenaar uitgenodigd. Die Franse tekenaar was een goede tekenaar, maar nog niet professioneel. Van zijn vak was hij vuurtorenwachter. Zijn strips tekende hij tijdens de vele eenzame uren die hij op zijn vuurtoren doorbracht. Waarbij hij telkens moest wachten om verder te kunnen tekenen tot de machtige schijnwerper weer een rondje was gedraaid en opnieuw zijn tafel verlichtte. Zo stelde ik het me tenminste voor. Een grapje waar hij niet echt om kon lachen. We zagen die middag talrijke dames voorbij onze tafels paraderen, bh’s en slipjes in de hand op weg naar het pashokje. We hebben slechts een paar albums gesigneerd: voor elkaar, voor de presentator en voor de directeur van het warenhuis, met wie we daarna uit eten gingen. De dames hadden niet echt belangstelling voor ons werk. Maar ik heb een goede herinnering aan de gigantische lachbuien die de hele situatie bij ons opwekte. Minder vrolijk ging het er aan toe in Bredene. Het was een schitterende, zomerse dag. Merho, Berck, Jean-Pol, Jeff Broeckx en ik waren geïnviteerd om te signeren in een brasserie-restaurant in Bredene. Zo’n honderd meter van de dijk. Het zag die dag zwart van het volk aan de kust, dus dat kon niet mis gaan. Toen we in het etablissement aankwamen, stonden de tafels met onze albums al klaar. In het achterste gedeelte van de zaak was echter nog een koffietafel van een begrafenis aan de gang. Men verzocht ons nog even te wachten, alvorens te beginnen. Het zou zo wel afgelopen zijn. Dus gingen we lekker in de zon zitten, met een glaasje. Kletsen onder collega’s. Heel fijn. Tegen halfdrie wilden we toch stilaan beginnen. We gingen aan onze tafels zitten, terwijl de bezoekers van de koffietafel eindelijk naar huis gingen. Buiten stroomde het volk voorbij de brasserie, richting dijk. We hadden gehoopt vele meisjes in bikini voor onze tafels te zien verschijnen, maar niemand kwam binnen. De zaal bleef leeg, op die enkele nazaten van de dierbare overledene na. Enkele van de rouwenden bleven aan onze tafels staan en lieten een album signeren. Tenslotte liep de zaal leeg en was er geen hond meer. Daar zaten we dan. Onze vrouwen kwamen ons vertellen dat we op de dijk hadden moeten zitten. Daar zag het zwart van het volk! Ik heb dus gesigneerd in een afdeling van dameslingerie — maar wel in Zwitserland! — en op een begrafenis. Die veertigjarige carrière is toch niet voor niets geweest." © Stripspeciaalzaak |
Hec Leemans: "Charlotte" Deze week word ik zestig en zit ik veertig jaar in het vak. Veertig jaar stripauteur en nooit een ander vak gehad. Het is me redelijk voor de wind gegaan in die veertig jaar, ik mag niet klagen. Om dit jubileum te vieren heb ik een grote, nieuwe studio laten bouwen, wat erop kan wijzen dat ik nog plannen heb voor de toekomst. Nog eens veertig jaar erbij of zo. Dat zou mooi zijn. De lezers en de uitgever zouden het zeker leuk vinden. Of laten we het op twintig houden, dat is ook al mooi. Veertig jaar "Hec Leemans" wordt ook gevierd door het Belgisch Stripcentrum met een grote tentoonstelling waar ik bijzonder blij mee ben. Het is het werk van David Steenhuyse, Didier Geirnaert en de ploeg van het BSC en ze hebben een bijzonder fraaie expositie afgeleverd. Het publiek is ook van de partij: op bepaalde dagen hadden we meer dan tweeduizend bezoekers en stond de rij wachtenden tot op straat. En nee, dat waren niet allemaal journalisten... Daar heb ik er maar weinig van gezien. Toch werd ik naar aanleiding van de tentoonstelling uitgenodigd naar de radio! Ik sta een beetje huiverig tegenover zulke invitaties, want het kost je een pak tijd (maar ze vragen mij vrijwel nooit). Ik vroeg of het interview niet via de telefoon kon, of via een studiolijn met een studio in Gent. Nee, dat kon niet, want ze waren zeer vereerd (sic) dat ik zou komen en ze gingen er toch uitvoerig tijd aan besteden, zeker twee "blokjes", met een plaatje ertussen, en persoonlijk contact is zoveel sympathieker... Zucht... Dus maar met de trein naar Brussel, vanwege het slechte weer en dan later maar de verloren tijd inhalen... Mooi. Ik ben ruim op tijd en een redactrice brengt me naar de studio. Daar moet ik "even wachten". Een halfuur later, terwijl de uitzending volop bezig is, zat ik daar nog. In mijn eentje. In een kale ruimte. Want intussen was er een journalist komen binnenwaaien die dezelfde ochtend een exclusief interview had kunnen versieren met Charlotte Gainsbourg, over haar nieuwe cd. Ongeveer vijfentwintig minuten van de zendtijd ging op aan gelul over Charlotte Gainsbourg. Gefleem. Gezucht. Bewonderende kreetjes van de presentatrice. Dat exclusieve interview kon zeker niet wachten tot de volgende dag, neem ik aan. Diezelfde dag en de rest van de week heb ik hetzelfde interview nog verschillende malen gehoord op die zender. Die Charlotte moet er me eentje zijn. Ze zit zeker veertig jaar in het vak of zo. Enfin, ik zie de klok wegtikken. Mijn bloeddruk stijgt en de stoom komt stilaan uit mijn oren. Ik zit daar mijn tijd te verliezen. Eindelijk is het mijn beurt. Ik heb het gevoel dat de presentatrice nauwelijks weet wie ik ben en dat het haar ook niet interesseert. Voor de rest een lief kind, maar dit moet hier snel afgehandeld worden. En zo gebeurt het ook. Luttele minuten later sta ik weer buiten op de Reyerslaan. Nee, een taxi bellen is hopeloos. Dat kan lang duren, verzekert men mij. Dus maar de metro. Een boel gesukkel om weer in het Centraal Station te geraken. De bekroning van veertig jaar carrière. Het respect voor de kunstenaar zit er diep ingebakken in dit land. Maar je moet wel bij de juiste club horen. Vlaamse televisiezenders heb ik niet gezien. Arte en RTBf hebben een reportage gemaakt van zeven minuten over de tentoonstelling. Ze hebben mooi werk geleverd. Als een voetballer zijn knie heeft bezeerd, horen we dat in het radionieuws van acht uur. Om tien uur krijgen we een update. Uitvoerig verslag om dertien uur en een analyse om zestien en achttien uur. Om halfacht ‘s avonds een samenvatting en medische stand van zaken in het sportprogramma. ‘s Anderendaags staat het uitvoerig in de kranten, over verschillende bladzijden. De media volgen aandachtig het verloop van de revalidatie in de volgende weken. Tja, die knie. Belangrijk. Stripmakers staan in de media vaak aan de kant in dit Vlaanderenland. Wij zijn niet interessant voor televisie, hoorde ik woordelijk van een televisiemaker. Een collega kreeg te horen van een redacteur van een praatprogramma, dat steeds dezelfde BV’s opvoert, "dat ze er niet zijn om promotie te maken"... Lees: niet voor strips. Want ze doen natuurlijk de hele tijd niets anders. Klaag ik over een gebrek aan belangstelling van de media? Jazeker. Op mijn zestigste mag ik al eens een zeurpiet zijn. En ik pleit voor al mijn hardwerkende collega’s, die weten hoe zwaar dit vak is. Vijftien jaar geleden was het nog anders. Toen was de media-aandacht er nog wel. Wat er intussen veranderd is? Ik weet het niet. Gelukkig hebben wij het publiek mee. We worden gelézen. En daar draait het om. In de jaren 1930 hield de Amerikaanse pers niet meer van de Laurel & Hardy-films. Hoewel de bioscoopzalen afgeladen vol zaten. Hal Roach, de producent, zei toen: "Nobody likes it, except the audience". Een mooi besluit."
© Stripspeciaalzaak |